Ger van Dam (geb. 1932) en gewoond in de Jagthuisstraat 25a vertelt:

ROTTERDAM-WEST IN DE JAREN DERTIG EN VEERTIG

 

Ik werd in 1932 in de Jagthuisstraat geboren. Op de hoek naast de toren van de Sint Willibrordkerk (1930) zou een granieten bol op een onderstuk geplaatst zijn, een bol afkomstig van De verdwenen boerderij “Het Jachthuis” (foto). Treffend voorbeeld van de demografische revolutie. Deze kerk was het middelpunt van een parochie met zeer veel kerkvolk en een pastoor met drie of vier kapelaans. De vier zondagsdiensten werden druk bezocht. Nu wonen er de mensen die we gemeenlijk "allochtonen"noemen. En de kerk wordt nog gebruikt: door Poolse katholieken.

In de Jagthuisstraat gingen wij op de kleuterschool: wij arme kinderen in de Fröbelklas, de rijkere bij de Montessori-juf. Tegenover ons huis was een neutrale bijzondere school, waar veel joodse kinderen op zaten. Wat is er van hen geworden? We weten het wel. De twee protestantse kerken in de buurt zijn ook gesloten, één is er nu een moskee. Ik blijf zoeken op uw site.


De wijk

Het huis van onze kindertijd stond jaren in de Jagthuisstraat te Rotterdam, een zijstraat tussen de Beukelsdijk en de Essenburgsingel. Auto’s stonden er niet, zelfs nog jaren na de oorlog niet. Op straat spelen was normaal. De spelletjes waren seizoensgebonden: knikkeren, hoepelen, touwtje springen, steltlopen, diefje-met-verlos enzovoort.

Over de Beukelsdijk reed tramlijn 1. Die eindigde bij het Schiekanaal aan het einde van de Beukelsweg. Tussen de Essenburgsingel en de spoorlijn Rotterdam–Delft lagen volkstuinen. Daarlangs liep nog een pad, waar we maar een enkele keer wandelden. We kwamen nauwelijks enkele honderden meters van huis, naar school was het misschien iets meer. Aan het einde van de Essenburgstraat was er een braakliggend landje, waar de kinderen van de buurt speelden.

De middenstandsbuurt had enkele winkels op de hoeken van de straten. Voor de zuivelwinkels Aurora en RMI werden er ijsblokken gebracht voor de koeling. Er was een groenteboer, een sigarenzaakje, een rommelzaakje met tweedehandsspullen van Piet Brand, een ex-bokser. De melkboer, schillenboer – beiden met paard voor de kar, de bakker Meer en Schoep – een gebochelde man moest het zware geval duwen - kwamen aan huis. De huur, verzekerings-penningen werden opgehaald. De koperen bel werd gepoetst voor een paar centen.

Het huis

Het benedenhuis had achter de voordeur een klein portaal. In de gang twee berghokken, daarin de gasmeter met munten, verder de wc. Een tussenkamer met twee schuifdeuren was slaapkamer voor vader en moeder, daar zijn we ook geboren. In de voorkamer met deur naar de gang sliepen de een na de ander mijn vijf zussen. Twee ramen die je op kon schuiven. ’s Zondagsmorgens zag je mensen langskomen die op het plafond werden geprojecteerd door kieren van de gordijnen – hoe dat kon?

Geen douche of wastafel, ook niet op het toilet. In de huiskamer een eettafel met zes stoelen, naast de ronde kachel een lage rookstoel. Op het buffet wat foto’s en een klok met slagwerk. Een H. Hartbeeld en Mariabeeld op consoles, een kruisbeeld aan de muur, in de andere kamertjes heiligenbeeldjes en prenten van communiefeesten, wijwatersvaatje – die gebruikten we nauwelijks. Wel merkwaardig die religie in de huizen. In de huiskamer twee kasten voor voorraad, boeken en servies. Een deur naar het keukentje. Een trapje naar de tuin. Voor de serre bij de huiskamer was er ook een houten trapje. In de tuin een schuurtje met kolen: antraciet en de goedkopere eierkolen, hakhout, soms een konijnenhok en wat gereedschap. Een zaag, hamer, schroevendraaier en leest waren genoeg.

Moeder deed ’s maandags de was. Zij begon met een zware teil met deksel op het gas te hijsen. Die moest dan met heet water gevuld, dat je bij de waterstoker kon halen. Die had een bedrijfje in een souterrain een paar huizen verder. De was werd uitgewrongen op een plank, glad van de zeep. Net buiten de keuken stonden twee kruiken om zuurkool en nog een groente in met zout in te maken. Ook andere groenten of fruit werden ingemaakt, maar dan in glazen potten. Zo waren er nog wat agrarische rudimenten van grootvader en grootmoeder, die uit West-Brabant resp. Gelderland kwamen..

Het tuintje eindigde tegen de hoge blinde zijmuur van de huizen van een zijstraat. Twee zielige seringenboompjes, een rododendron, grind in het midden, braam- of frambozenstruik? We hadden soms konijnen in schuurtje. Daarvoor werden stroblokken gehaald, ik geloof op een handkar. In de hongerwinter waren er veel ratten, die ook konijntjes doodbeten. Met Kerstmis kwam Opa het konijn slachten. Dat hing dan aan een trapleer.

Al bij al hadden die mensen een triest leven. Een te klein huis en dan een crisis, oorlogsjaren … zwaar werk. Voor Sinterklaas werden de spulletjes op bergplaatsje boven het bed van ouders gelegd. Van te voren gingen we kijken, zodra we wisten van het niet-bestaan van de Goedheiligman. Met Kerstmis was er de boom met kaarsjes, stalletje, nachtmis. Hoogtepunt was de Goede Week: Palmzondag, Witte Donderdag, Goede Vrijdag, wijwater halen op Paaszaterdag in het portaal in onze straat. Na twaalven luidden de klokken weer, zoals men zei: teruggekeerd uit Rome. Het weinige snoep was nog opgespaard in een trommeltje. Vasten was in de crisistijd en de oorlogsjaren nauwelijks een extra opgave. In de Meimaand kreeg het Mariabeeld een vaas of jampot bloemen, die we ergens buiten plukten. Het waren vooral Pinksterbloemen – die storen zich niet aan het kerkelijk jaar.

De straat

Tegenover het huis lag een neutrale bijzondere school. De leerlingen speelden voor schooltijd bij ons op de stoep. Veel joodse kinderen verdwenen in de oorlogsjaren zonder dat we dat opmerkten. Zoiets realiseer je je achteraf. Moeder stond eens te praten met een buurtbewoonster die zelf christelijk was en met een joodse man getrouwd. Het ging over het gevaar dat zij liepen voor deportatie. Als kind van goed tien jaar (1942) vermoedde je wel iets.

Links van ons woonde een oude schoenmaker uit Kaatsheuvel. Zijn werkruimte was in de voorkamer. Er hing een kooitje met tortelduiven. De oude vrouw deed eens voor hoe je kaarsje springen moest doen op Driekoningen, een kinderspel als einde van de kersttijd. We luisterden er in de eerste jaren na de oorlog naar Holland-België, omdat we nog geen radio hadden. Later hadden we radiodistributie. Rechts woonden mensen die er met het bombardement gekomen waren. Daarboven een protestants gezin met kinderen, waarmee we wel enig contact hadden. Bij luchtalarm schuilden zij bij ons in de gang. Wij hadden een benedenhuis.

In de Jagthuisstraat moet ook een schrijver gewoond hebben: Herman Pieter de Boer(gedicht).

De kerk

De Sint Willibrord aan de Beukelsdijk, hoek Jagthuisstraat, dateert van 1930. Zij is op Kerstmis geopend. Pastoor was, voorzover ik me herinner, onder anderen Meereboer met drie of vier kapelaans: Niekerk, De Groot, Donkers, Loerakker, Minnebo. Tussen de de bijzonder neutrale school en de R.-K. kleuterschool en kerk lag ook een braak stuk land met schutting - daar kwamen we nooit. In de meidagen van 1940 kreeg het hoge dak een rood kruis, omdat er bancards met gewonden op de kerkbanken werden geplaatst.

De ruimten in de kerk hadden een eigen geur. In de sacristie boenwas en bloemen. Op het altaar freesia’s. De toogjes van de misdienaars misten altijd wel knoopjes. Op feestdagen waren er rode togen. Dan een wit koorhemd. Wij hadden er geen met kant, maar zuiver wit met brede mouwen. De geestelijkheid was strikt liturgisch. De koorzang onder leiding van een goede organist (Piet de Keyzer) was verzorgd gregoriaans. Onze roomse klokken – vijf? – overstemden echter alles. Zij luidden op zondagmorgen vier of vijf keer: om zeven uur de vroegmis, dan de hoogmis en nog twee missen voor de langslapers. De Duitsers haalden hen uit de toren. De kleuterschool en patronaatsgebouw en drie lagere scholen lagen binnen bereik. Eigenlijk gebeurde bijna alles in kerkelijk verband. Een parochie was een dorp in de stad. Dat bepaalde ook goeddeels de contacten in de leefomgeving.

In een stad als Rotterdam ging je ook wel wat om met anderen. “Omgangsoecumene” heet dat. Protestanten speelden op zondag op hun huisorgeltje. In hun kerken kwam je nooit. Er waren in dezelfde wijk dus een hervormde en gereformeerde gemeente. Ze waren ook altijd dicht, de onze waren vaak open. Vlakbij de lagere scholen voor jongens in de Tidemansstraat was een klein kerkje met Sint Franciscus als patroon. Het was niet Rooms-Katholiek, wel Oud-Katholiek?

De Maasbode was de krant voor ons soort mensen, lieden van de kleine middenstand. Van de conservatieve ketterjager, de journalist Thompson wisten we nog niet. Hij was ook ver vóór onze tijd actief. Er was een stripreeks in die krant met twee cowboys. Ik herinner me levendig de krant die op 6 augustus 1945 in de bus viel: de eerste atoombom op Japan was hét bericht.
Verder kwam er de Katholieke Illustratie, waaraan het Rijke Roomsche Leven van Michel van de Plas titel en foto’s ontleende. Op school kregen we een kinderblad mee: De Engelbewaarder en Taptoe.. Bijzonder waren een paar boeken, de Zonnewijzer – de andere naam weet ik niet. Het waren producten van een poging het cultuurgoed onder het volk te brengen. Er stonden reproducties in een literaire teksten.

De lagere school

Ik ging 1 september, daags na Koninginnedag, naar de lagere school aan de Tidemanstraat. Vanuit onze straat moest je op de Beukelsdijk het Burgemeester Meineszplein oversteken en dan kwam je voor een protestantse kerk al gauw bij school. Aan het begin van de straat was er een transformatorhuisje, waar we vaak om speelden. In december was het al bijna donker, als je om vier uur naar huis ging. Verkeer was er weinig, in de oorlogsjaren al helemaal niet. De straatverlichting bleef uit om de Engelse en Amerikaanse vliegtuigen geen oriëntatiepunt te bieden. Je kon in pikkedonker over de stoepranden naar huis rennen. De ramen van de huizen moesten ook lichtdicht afgeplakt worden. Er was een blokhoofd die moest controleren. Schoolhoofd was meester Verwey. In de oorlog soms een oefening bij luchtalarm: we moesten onder de banken kruipen. De oorlogsjaren vielen ook binnen die schooljongenstijd. Het laatste verviel min of meer.
Meester Snelders van de Zesde klas vertelde: ’s-Zaterdagsmorgens van elf tot twaalf uit De Leeuw van Vlaanderen van Henri Conscience. Ik kocht het boek van zakcenten in de kiosk op het Burg. Meinesplein, in de oorlogstijd was dat een verzetsboek: voor de Leliaerts uit de middeleeuwen kon men NSB-ers van onze eigen zeker zo donkere tijden zien.

In de vakantie gingen we soms naar de dierentuin naast het station. Of was het met school? Na de oorlog verhuisde die tuin naar Blijdorp. (Aad: nee hoor, was al in 1940) Nog lang heeft er een reigerkolonie genesteld op de kromlopende Diergaardesingel. Met de zg. Vakantiekolonie – ook weer van de kerk – gingen we naar Hoek van Holland. Heet weer, thuis meteen water drinken. Van de spelen weet ik niets. Gegeten werd er in een grote tent.

Tijdens de oorlog logeerde ik maanden bij familie in Bergen op Zoom. De ingrijpende gebeurtenis was de evacuatie van vele kinderen in de hongerwinter naar het Oosten en Noorden van het land. Voor mij was het het Twentse Delden, in een gehucht de Vossenbrink aan het Twentekanaal. Maar die tocht en dat verblijf vragen om een eigen verhaal. Met een andere Rotterdammer proberen we meer te achterhalen van dit stukje geschiedenis.

Oorlogskind

De ongeveer vijf maanden in 1945 op de Vossenbrink aan het Twentekanaal, behorend tot het Twentse Delden, passen niet in een geschiedenis van Rotterdam. Met vele Hollandse kinderen waren we naar het Oosten gebracht, nog wel in een Duitse militaire trein. Belangrijk waren die maanden wel, al was het maar om de eerste doden die ik als kind van twaalf jaar aantrof. De eerste was een Canadese hospik, iets verder lagen de vier of vijf Duitsers die hem verraderlijk doodden. Maar dat verhaal moet hier achterwege blijven.

Ik kan het wel over doden hebben. Nog in diezelfde hongerwinter stond ik enkele malen per week als kleine misdienaar (ik ben klein van stuk) naast de priester die de absoute verrichtte. Dat is het afscheid van de gekiste overledene na de uitvaartsmis. Soms bleef de kist bij de uitgang van de kerk vanwege de geur die ook door de wierook niet te verdrijven was. Als jochie was ik trots omdat er voor het gebedenboek, het wijwatervat en –kwast, het wierookvak en het scheepje met de wierookkorrels eigenlijk twee á drie misdienaars nodig waren. De priester eert het lichaam met wijwater en wierook. Zelf zal ik ook vel over been zijn geweest. Klokken luidden niet, de vijf waren door de bezetters geroofd.

Eens mocht ik eten bij de familie X., een slager. Overgeven kon niet uitblijven. In de rij staan bij de lege winkel op het Burgemeester Meineszplein, ik meen dat het 4 februari was en de dooi was plotseling ingevallen. De pan met de zogenaamde “soep” werd gevuld. Aan de overkant stond de lange rij bij de winkel van Van der Meer en Schoep. In menig boek ziet men de foto staan. Overdag lag je veel op bed, ik herinner me het geluid van de V-2’s. Waren dat die in Hellendoorn (Overijssel) werden gelanceerd, want de andere kwamen van Den Haag. In Delden hoorden we ze herhaaldelijk al of niet vertrekken.

Tegen zessen passeerde B., de vader van schoolvriendje Cor B. ons huis. De man was kapitein geweest op de binnenvaart. Cor was op het water geboren, nog wel bij Megen. Cor zou ooit waterbouwkundig ingenieur worden. Daar zou ik na de oorlog het gymnasium volgen. In die oorlogsdagen droeg de kleine breed geschouderde gedrongen man vier blokken biels met touwen over zijn schouders. Enkele keren aten we bij de familie rond het fornuis dat met die geteerde balken werd gestookt.

Onze tweeling was in 1941 geboren, maar de jongste in 1944. Moeder ging het beetje melk dat zij voor de baby op bonnen kreeg opwarmen bij mensen aan het einde van de Essenburgstraat. De twee oudste meisjes gingen van tijd tot tijd naar Den Bosch of naar Erp. De dochters van de burgemeester van Erp kwamen na de oorlog nog eens op bezoek. Hun vader was in een nazi kamp omgebracht. Ik was een tijdje in Berg op Zoom bij Tante J. en Oom H. – in de meidagen 1940 was hij even thuis aankomen als motorordonnans. Heel stoer, net als een andere oom die in 1945 in uniform trouwde en naar Nederlands
Oost-Indië vertrok. Later zou hij nogal eens zijn verhalen en vooral zijn onverwekte emoties komen spuien bij zijn oudste zus, mijn moeder. Een razzia in de straat: een grote mof voor de deur. Vader was met zijn 45 jaar net te oud voor te werkstelling. Of was hij met zijn goed veertig kilootjes onooglijk geworden? Af en toe kon hij brood of olie kopen tegen hoge prijzen. Eén van zijn broers stierf in de hongerwinter, de ander was al vóór de oorlog naar Amerika vertrokken. Een enkele fotootje met vrouw en dochter resteerde. De overleden broer had ik in 1940 nog bij het puinruimen gezien, vader moest als kleine ambtenaar de uitrijdende vrachtwagens tellen. Wij zagen de Schie nog dempen en we speelden in de polders bij Overschie waar ook veel puin gestort werd.

Even buiten de oorlogsverhalen om: de verhalen van Karl May over Old Shatterhand en Winnetou. Vuistdikke boeken die je op de grond legde om ze liggend in één keer uit te lezen. Met geschiedenissen werd de historische belangstelling gewekt. Ik noemde al De Leeuw van Vlaanderen van Henri Conscience. Beide schrijvers leverden allerminst hoogstaand literair werk. Maar het model werd geboden: twee, drie mensen doemen op in een weids landschap of in een middeleeuwse stad als Gent of Brugge. Idolen voor de jeugd naast die door de kerk geboden: bidprentjes van Benedictus, Franciscus … Uiteindelijk zou ik als zeventiger nog promoveren op een historisch onderwerp, nog wel de geschiedenis van de studie die ik als jongmens met honderden anderen volgde. Het besef als enkeling met vele lotgenoten in een bepaalde tijd te leven was diep geworteld geraakt.

Bepaalde tijd: de situatie in de oorlogsjaren Veertig, en vooral 1944/1945 was van grote betekenis voor onze generatie. Dat maakt het consumentisme, het geweld en zoveel andere onredelijke ellende van nu zo duidelijk.

Het waren wat flarden uit de ontelbare ervaringen en beelden die een kind in een paar jaar leven opdoet. De naam van Jean-Jacques Poirier, de bij Delden gedode Canadees, is mij als 74-jarige nog bijgebleven. Ik bezocht enkele malen het graf, links achteraan op het Canadese oorlogskerkhof in Holten.

Correctie van Ger 21 mei 2013: Ik herlas mijn eerste tekst over mijn kinderjaren. Ik moet een correctie aanbrengen. Een ingrijpend moment voor een bijna dertienjarige was de vondst van vijf doden langs het Twentekanaal bij de brug van de Vossenbrink, een buur buiten het oude stadje Delden. Het was dinsdag na Pasen, 4 april 1945. Ik bezocht verleden jaar het oorlogskerkhof in Holten. Nu waser een digitale informatiemogelijkheid. Daar bleek de voornaam van de dode Canadese  niet “Jean Jacques”, maar “Joseph”. dus Joseph Poirier, een franstalige Canadees. In Groesbeeks bevrijdingsmuseum vond ik ook zijn naam als lid  van het Medical Corps toegevoegd aan de 4th Armoured  Division. Ik schreef er enige aantekeningen in het gastenboek. Ik heb nog een zakmes dat ik van een andere Canadees kreeg. Het waren monteurs in wagens met veel gereedschap. zij repareerden de tanks die op de oprijdijk en in de enige straat van de Vossenbrink stonden.

En over al die kleine herinneringen heen zou een gevoelen, een weten, een beetje kijk-op-het-leven groeien. Na de school en studietijd zou er in het eigen gezin nog veel gebeuren: overleden kinderen, gezonde en knappe kleinkinderen. Vele studiegenoten waarvan ik meerderen nog lang heb meegemaakt stierven de één na de ander. Van de vijftig beginnende studiegenoten in 1951 is ongeveer de helft dood.

Ik ging nog eens terug naar de Jagthuisstraat. Vanaf Station Centraal (ik heb de Delftse Poort nog gekend) over het Weena (naar het oude kasteel van Vrouwe Wena?) over de Beukelsdijk. Ik passeerde het Sint Franciscuscollege, waar ik in 1945 als gymnasiast begon. Dr. August Cuypers gaf geschiedenisles. Hij was nog als reservekapitein in uniform, hij had een functie bij het Militair Gezag,vermoed ik. Hij vertelde van de meidagen ’40 toen hij aan de zwakke IJssellinie had gelegen. Op nauwelijks twee kilometer lag het platgeslagen hart van onze stad. De school was net vrij en schoon van de bezetters.

Bij onze oude kerk, nu voor Poolse immigranten in gebruik, sla ik de Jagthuisstraat in. De huizen zijn ietwat opgeknapt. De voordeur van nr. 25 is een andere. Een auto stopt, een vrouw met hoofddoek en een taartdoos stapt uit. Een kind komt vrolijk naar buiten. Ik zeg: “jullie hebben Suikerfeest, gefeliciteerd”. Het kind: “Ik krijg cadeautjes”. Vader en moeder verschijnen in de gang. Ik knik hen toe: “Ik ben hier geboren”.

Door de Van Citterstraat loop ik nog tot de Mathenesserbrug. Dat deed ik als twintiger nog twee jaar naar de Kweekschool voor Onderwijzers die naast de ooit zo fraaie kerk Sint Antonius Abt aan de Johan Kruijfstraat (nee, niet de voetballer!) was gevestigd. Ik stap op de tram als één van de weinigen met een kindertijd in het Rotterdam van de jaren Dertig en Veertig. Bij Station Blaak stap ik uit, vreemdeling tussen hemelhoge gebouwen.




Het Sint Franciscuscollege

Aan de Beukelsdijk is een scholengemeenschap gevestigd. Zij was als “R.K. H.B.S.” gestart in 1919 in een pand aan de Boompjes langs de Maas. In 1923 betrok men het nog bestaande schoolgebouw aan de Beukelsdijk. Een gymnasiumafdeling zou ooit worden toegevoegd. De patroonsnaam “Franciscus” (van Assisi) dateert van 1935, toen de Minderbroeders-Franciscanen het beheer over de in nood verkerende school overnamen.

Ik was hier in de leerjaren 1945/46 en 1946/47 op het gymnasium, eerst in de Oostervantstraat, omdat het schoolgebouw nog hersteld moest worden. Na de Duitse bezetters waren er Canadese bevrijders gelegerd geweest. Er zijn zeker nog meer oud-leerlingen met herinneringen, vooral aan het lerarencorps van toen.

Eén van de geschiedenisleraren, dr. August Cuypers, schreef een gedenkboek. (Dr. Aug. Cuypers, Sint Franciscuscollege 1919-1969 (Bilthoven 1969)
Hij vertelde in 1945 ook uit de dagen dat hij, evenals enkele collega’s, als reservekapitein in de meidagen ’40 diende. Met het platgeslagen centrum van de stad zo dichtbij was de oorlog iets van onze eigen dagen. Bommen, deportaties en honger hadden we net overleefd.

In 1917 maakten Rotterdamse katholieken al plannen voor een eigen middelbare school. In een handelsstad als de onze dacht men niet op de eerste plaats aan een gymnasiaal programma maar aan een Hogere Burgerschool. De Hogere Burgerschool, het schooltype was sinds 1863 ingevoerd, bood wat er voor de middenstand en grotere bedrijven nodig was. En dan niet Grieks, Latijn en veel geschiedenis die het gymnasium gaf, maar economie, boekhouden en exacte vakken. Juist in de grote middenstand was menige zaak ondernomen door katholieken, vooral die we nu kennen als Peek en Kloppenborg, C & A, Vroom en Dreesmann. Eeuwenlang waren katholieke geweerd uit openbare functies: voor hen én joodse mensen restte de handel c.q. de clerus. Met de vele randgemeenten waren er genoeg leerlingen voor een R.-K. school te verwachten.

Een moeilijk punt was uiteraard de bekostiging van de leraren, na die van de gebouwen en de inrichting. Maandelijks kwamen de salarissen ten laste van het schoolbestuur. In katholieke kring kon men een beroep doen op een religieuze orde. Al vanouds kenden de Augustijnen, Karmelieten, Dominicanen, Franciscanen en vooral de Jezuïeten een goede opleiding voor hun priesters.
Die overwegend Klerikale orden hadden al hun eigen kleinseminaries met een gymnasiumprogramma. Na de wijding van hun priesterleden konden het ordebestuur paters de opdracht geven nog eens te gaan studeren, maar dan voor een taal, geschiedenis of een exact vak. Een pater behoefde niet een inkomen voor een gezin te verdienen. Zijn levensbehoeften waren sober en kwamen ten laste van de orde. Een landelijke “provincie” van zo’n orde beheerde centraal de inkomsten en uitgaven voor soms honderden broeders. Een groot aantal leden bracht niets in, met name de grote aantallen eigen studenten. Een pater was uiteraard ook langer per dag beschikbaar dan een huisvader met andere taken buiten het onderwijs.

Tegen 1935 werden de financiële lasten te zwaar. Enkele jaren boden twee á drie Jezuïeten hulp: een directeur en een of twee paters als prefect en voor de sport. Die paters hadden al vóór 1900 enkele befaamde middelbare scholen met een doordacht systeem: de repetitoren waren even belangrijk als de docenten. De sport werd bevorderd, omdat naast een goede schoolopleiding zij toegang tot de z.g. “hogere kringen” bood. Zij trokken zich terug, omdat Rotterdam niet de mogelijkheden bood zoals b.v. Nijmegen of Amsterdam.

Het actiecomité van katholieke geestelijken en burgers uit Rotterdam kwam bij de Franciscanen terecht. Die waren in 1913 al in het mijnbouwgebied van Heerlen e.o. met een Handelsschool en H.B.S. begonnen. De stichter en eerste directeur daar was Damascenus Rombouts, komend uit een Rotterdamse familie – en broer van mijn grootmoeder.
De Nederlandse provincie van deze grote internationale orde groeide, zij was vanaf omstreeks 1850 in opbouw geweest. In de jaren dertig was deze Nederlandse groep ordebroeders al flink toegenomen. Maar nog eens een school op zich nemen naast de ongeveer vijf á zes die zij al hadden werd wel veel. Zij lieten zich toch overhalen. De school groeide in de eerste jaren naar honderd leerlingen. Na de hongerwinter diende zich een dubbele lichting eersteklassers aan: het schooljaar 1944/45 was verloren gegaan.

Vele namen van leraren komen nog op, als je oudere Rotterdammers ontmoet. Ik noem er maar enkelen zonder te kijken naar de tijd dat zij in dienst waren. Benieuwd, of er nog ouderen zijn met herinneringen. Ik vermeld maar één voorletter, hoewel katholieken meerdere heiligennamen voerden, veelal tevens ter memorie van grootouders. Nu in 2006 valt op, hoe hoog de kwalificaties van de docenten waren in vergelijking met die van de tegenwoordige scholen voor secundair onderwijs. In de eerste jaren worstelde men onvermijdelijk nog even met het gegeven dat enkele leraren nog hun bevoegdheid moesten halen. En ... het gezag lag bij de individuele leraar met zijn vakkennis en zijn persoonlijkheid. De rector of directeur was één van hen – geen autoritair management zoals vaak nu!

Vanaf 1920 was er Gustave Piron, leraar Frans, door zijn oud-leerling Vestdijk in een roman vereeuwigd. De scheikundige dr. R. Beck was de eerste gepromoveerde docent. Ir. P. van der Horn ging wiskunde geven. Drs. W. Erkelens bleef 42 jaar in dienst als aardrijkskundeleraar. Leraar handelsrekenen A. Lucas ging naar de Tweede Kamer. Mr. A. Pastor was de man voor staatswetenschappen. Jarenlang waren er Piet van Dijk voor gymnastiek en Th. de Cloet: orator, jongleur, acteur, koordirigent.
De wethouder F. Nivard werd bestuurslid, zijn zoon was jarenlang leraar Frans. Dan was er Ir. H.Hopster, een sportbestuurder, voor het wiskundeonderwijs. Hopster richtte na de oorlog een luchtverkennersgroep op (zweefvliegtuigen), onmiskenbaar toch een aanduiding van het klassenverschil onder de leerlingen, net als de “zeeverkenners”. Wij waren gewone “landverkenners” in de parochie: wij kwamen uit de zijstraten van de Beukelsdijk en niet van de Heemraadsingel of de Mathenesserlaan.

In 1934 kwamen als nieuwe leraren drs. J. Brands voor klassieke talen en drs. W. van Geldrop voor wiskunde. Beide heren promoveerden binnen enkele jaren. Van Geldrop met een stem als een klok trad op als regisseur en hoofdrolspeler in stukken van Shakespeare. De Koopman van Venetië werd door de leerlingen in de Stadsschouwburg opgevoerd.

In 1935 hadden de franciscanen de leiding van de school van de twee of drie jezuïeten overgenomen en zetten de rector en voor enkele vakken paters in. Jarenlang bleef het aantal leerlingen ongeveer tweehonderd jongens. De inwoning van een meisjeslyceum had maar kort geduurd: 1927-1935. In roomse kring meed men “co-educatie”. De zusters van J.M.J. kregen een eigen schoolgebouw in de Breitnerstraat. Ook onder de zusters waren gepromoveerde docentes.

In 1938 kwam drs. Piet Hoonhout als leraar voor klassieke talen. In 1947 promoveerde hij. Hij stichtte een verkennersgroep en trad zelf op als hopman. Na de oorlog kreeg de groep de naam van Schout-bij-nacht Karel Doorman, de bevelvoerder in de dramatische slag in de Java Zee.
In de oorlogsjaren leidde Hoonhout de voorzieningen in geld en voedselbonnen voor onderduikers en andere slachtoffers van de Duitse bezetting. Het echtpaar had zelf acht kinderen, een joodse vondeling werd erbij opgenomen. Hij had functies in tal van instellingen voor jeugdzorg en begon ook nog eens een studie in de psychologie. Cuypers vertelt: “Die stralende eerste volop zonnige meidag ... verliet Piet Hoonhout met zijn alpino en korte jekker op de bromfiets de school, een levend symbool van eeuwige jeugd en beweeglijkheid. “Ik ga de zon opzoeken waren zijn laatste woorden”. ... op het drukke kruispunt van de Beukelsdijk en Henegouwerlaan werd hij het slachtoffer van een dodelijk botsing”.
Hij werd 46 jaar.

In het verzet tijdens de oorlog werkte hij samen met pater Emile Andreoli. Deze had wel vijf voorletters als afkomstig uit een gegoede Waalse familie. Daarbij kwam nog de kloosternaam Cantius die ik verder nooit gehoord heb. Deze pater was zelf in vele takken van de sport bedreven. Hij had als middelbare scholier niet een kleinseminarie bezocht, maar was leerling geweest van het Jezuïetencollege te Katwijk. Die paters legde de nadruk op een goede intellectuele ontwikkeling én op sport. Andreoli werd prefect. Dat was bij de Jezuïeten al de functie naast die van de rector of directeur die directe zorg en toezicht had op de leerlingen. Het aantal daarvan was nog zo beperkt, dat ieder van deze functionarissen en menige leraar wel weet had van een individuele leerling. Cuypers beschrijft zijn collega: een ware animator met zijn vindingrijke geest, enthousiasme en optimisme.
Hij was de kleurige vogel, de fantast en improvisator, de troubadour en soms de vechtjas. Met Hoonhout was hij in het verzet tegen de bezetter. Hij organiseerde zomerkampen en zette zo de verkennerij illegaal door. Ondervoede leerlingen werden tijdens de vakanties bij boeren geplaatst. Gouda, Woerden e.o. hadden parochies met franciscanen als pastoor en kapelaans. Hij organiseerde een luchtverkennersgroep, toneelwedstrijden, stimuleerde voetbal, schermen, tennis, volleybal. De voetbalclub heetteAeolus”. Het tenue was zwarte broek en rood shirt. Hij deed er zelf aan veel sporten mee, en blies trombone in het schoolorkest. Vooral was hij pedagoog voor jongens in de puberteit. Na elf jaar vertrok hij naar Nieuw-Guinea om daar een H.B.S. op te zetten. Tenslotte werd hij vlootaalmoezenier. Hij werd ver in de 90 jaar.

Tussendoor: onder de Duitse bezetting moesten pagina’s over Hollandse helden en de Oranjes uit de geschiedenisboeken gescheurd worden. Uiteraard vulden de leraar de uitdagende “witte plekken” rijkelijk aan. De school zat ondermeer in de scholen van “’t Boschje”, de parochie van de franciscanen dichtbij het Hofplein. Dat gebouw stond als een eenzame pilaar midden in de vlakte na het bombardement.

Dr. Kouwenhoven was tientallen jaren de directeur van de H.B.S. In de oorlogsjaren kreeg hij te maken met bezetting van de school. Meerdere adressen moesten voor de school benut worden. Ook kreeg hij last van een leerling die als lid van de nazistische Jeugdstorm in uniform op school kwam. De directeur verbood dat en schorste de knaap. Een groepje van dat soort lieden stelde zich op voor de school. De leerlingen lieten zich echter op advies van de schoolleiding echter niet provoceren. Op enige afstand hield een groepje goede politiemensen in burger de zaak in de gaten.

Biologieleraar drs. Hoekstra, reserveofficier uit de meidagen ’40, moest zich melden voor hernieuwde krijgsgevangenschap. Dr. Cuypers zelf dook echter onder, ondermeer omdat hij medewerkte aan het illegale blad Trouw. De collega’s lieten pater Andreoli de verzamelde financiële bijdragen aan hem afdragen. Ook oudere leerlingen moesten onderduiken en werden via Andreoli van bonnen en voedsel voorzien. Oudere leerlingen moesten onderduiken om de Arbeitseinsatz te ontlopen. Ook hier kwam het landelijke katholieke netwerk van pastoors, paters en leken van pas.

Een andere pater was tekenleraar Renald Rats, een kunstenaar die meerdere beelden maakte voor de kapel en voor elders. Zijn medebroeder Agnus Beekman was actief op het gebied van toneel in diverse vormen. Pater van der Helm, een jurist, was vele jaren rector van het lyceum. Hij had de bijnaam De Maan wegens zijn gladde schedel.

Ik herinner me nog de eerste leraar Latijn dr. A. Geerlings die bijna dertig jaar in dienst zou blijven. Dr. Schweers gaf natuurkunde. Pater Silvanus (H.) van der Meer kwam voor klassieken – vanwaar zijn bijnaam “Bartje”? Drs. J. Stavenuiter gaf geschiedenis en aardrijkskunde, maar kon ’s maandags niet over de voetbalwedstrijden zwijgen.

De bevrijding had in plaats van Duitsers Canadese bevrijders in de school gebracht. De lessen werden deels gegeven in de S.Lucia kweekschool, waar ik ooit zelf docent zou worden.

Leraren: dr. N. (“Cola”) Minis voor Duits maar werd spoedig hoogleraar in Amsterdam, H. Krebbers voor Frans overleed jong aan kanker. Pater drs. W.Schmitz werd ook de animator van de sportclub “Aeolus”. De paters verhuisden ondertussen van de Heemraadsingel naar het G.W. Burgerplein achter de school, op enkele voetstappen van de later vermaarde Pim Fortuyn.

De officiële opening van de weer opgeruimde school begon met een hoogmis in onze parochiekerk St. Willibrord. Van de achthonderd leerlingen waren er honderden in verkennersuniform. Voor de school onder de naam “Sint-Franciscuscollege” ging de vlag omhoog onder het tromgeroffel van de schoolband en het zingen van het Wilhelmus.

Nogmaals, zijn er nog oud-leerlingen met herinneringen van “Sint Franciscus” tijdens en na de oorlogsjaren?

Reacties op mijn verhalen over Rotterdam

Op dit verhaal reageerden enkele oudleerlingen. Rein Mann schreef het volgende. “Mijn jongere broer in Holland heeft me zojuist een link gestuurd met het verhaal van Ger van Dam: Rotterdam-West in de jaren Dertig en Veertig. Terwijl ik het aan 't lezen was, liepen de koude rillingen over mijn rug. Evenals Ger ben in 1932 te Rotterdam geboren (Stieltjesplein). Vanaf jaar twee verhuisden wij naar de Van Lennepstraat in Spangen. In 1940 toen ons huisje te klein werd voor de groeiende (Katholieke) familie, verhuisden we weer eens, ditmaal naar de Allard Piersonstraat. Je kunt je dus voorstellen wat het verhaal van Ger me aandeed. Het is precies zoals het was en herinneringen kwamen op als paddestoelen uit de grond. Ik was waarschijnlijk in dezelfde klas op het Gymnasium als Ger en de jaren komen plotseling allemaal terug...... De Maan....."Pukkie" Hoonhout ...Pater Andreoli .....de verkennersgroep 'Karel Doorman'. De Willibrordus kerk (met de bal van graniet!), het koor waar ik als sopraan gezongen heb onder leiding van meneer de Keyzer. De eerste jaren op het gymnasium (St. Franciscus college), waar meneer Geerling ons onderwees in de latijnse declinaties: mensa mensae mensae mensam mensa....en later in het tweede jaar Pukkie (Wonderful human being!)ons onderrichtte in the elementen van de oude griekse taal. En toen kon broer Matt Mann natuurlijk niet achterblijven...... Hij schrijft: Ik ben dus dat jongere broertje, geboren in de Allard Piersonstraat maar pas in 1947. En ondanks dat grote tijd- en leeftijdsverschil bracht het verhaal van Ger van Dam ook voor mij gigantisch veel herinneringen boven, want tot de jaren ‘60 gingen de veranderingen, met name bij het katholieke volksdeel maar heel langzaam. Ook ik zong in koor van Peter de Keijzer in de Willibrordkerk, met ieder jaar als hoogtepunt de uitvoering van de Mattheus Passion onder leiding van Bertus van Lier, uitgevoerd in de Koninginne-kerk (De sloop van die kerk had nooit mogen plaatsvinden, een prachtig gebouw met prachtige akoestiek) of in de kerk van de Pilgrimfathers in Delfshaven. Na mijn lagereschooltijd (die ik overigens op de Nicolaasschool in Spangen doorbracht - De katholieke broeders van die school waren in de ogen van mijn ouders toch iets betrouwbaarder dan de lekenonderwijzers in de Tidemanstraat. Daarna ging ik net als mijn beide oudere broers naar het Franciscuscollege. Niet naar het Gymnasium maar naar de H.B.S., waarvan Kouwenhoven in die tijd de directeur was. Van een aantal van de door Ger genoemde leraren heb ik ook nog les gehad. Ook werd ik in navolging (uiteraard) van mijn grote broers verkenner bij de Karel Doormangroep. Dat werd overigens geen groot succes omdat korte broeken tot net boven de knie begin jaren zestig wat uit de mode raakten en de korte broek met opgerolde pijpen (zogenaamde nozemrandjes) resulteerde in conflicten met de leiding. De verkennerij had denk ik wat problemen zich aan de veranderende tijdgeest aan te passen, net als sommige van de leraren op het Franciscuscollege overigens, de goeden niet te na gesproken. Maar ik denk dat ik er wel een goede opleiding heb gehad dus kijk er zeker niet met rancune, maar wel enigszins sceptisch op terug. Mijn beide broers vertrokken zoals velen begin vijftiger jaren naar Nieuw Zeeland. Maar natuurlijk zijn er ook de onvermijdelijke verschillen. Dat is later wel goed gekomen, mijn boekenkast puilt ui van vele boeken over het vooroorlogse Rotterdam. Inmiddels ben ik er al meer dan veertig jaar weg, maar zo af en toe moet ik even terug en het leukste om te doen is dan gewoon gaan rondlopen in je oude buurt en de herinneringen terug laten komen. En natuurlijk ben ik ook met mijn kinderen, toen die nog klein waren langs de Willibrordkerk gelopen en heb ik ze opgetild en bovenop die stenen bal gezet en ze vonden het net zo leuk als ikzelf vroeger”. Voor zover de heren Mann reagerend op mijn verhaaltje.